epidemie
vrouwelijk (de)/epideˈmi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensenDe laatste polio-epidemie in Nederland was in 1992. Er werden 71 mensen ziek, van wie er 2 overleden. Verreweg de meeste patiënten waren van orthodox-gereformeerde huize en niet gevaccineerd. De voorlaatste uitbraak was in 1978, met 110 patiënten, waarvan er 4 overleden, uit dezelfde geloofsgroep. Het virus kwam de eerste keer uit Turkije, de tweede epidemie begon met import uit India. NRC Wim Köhler 25 november 2016Burn-outs zijn tegenwoordig beroepsziekte nummer 1. Het NRC meldt dat meer dan 14 procent van de werknemers jaarlijks burn-outklachten ondervindt. Zo’n 5 procent van de beroepsbevolking komt als gevolg daarvan langdurig thuis te zitten. Een fikse burn-out leidt gemiddeld tot 242 dagen verzuim. Als reactie op deze epidemie wordt er door steeds meer bedrijven en overheden beleid gemaakt om mensen na een aantal jaar trouwe dienst verplicht op verlof te sturen.
Etymologie
*afgeleid van het Griekse 'dẽmos' (volk)
Vertalingen
Engelsepidemic
Fransépidémie
DuitsEpidemie
Spaansepidemia
Portugeesepidémico, epidémica
Russischэпидемия
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek