etage

vrouwelijk (de)/eˈtaʒə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) verdieping
    Hij woonde op de derde etage van het flatgebouw.
  2. appartement (woning in een flat).
    Hij huurde een etage in Parijs en begon daar te schrijven aan zijn roman.
  3. geologie (geologie) een geologisch tijdperk, chronostratigrafische eenheid
    Het geologisch tijdperk Maastrichtien (Vlaanderen: Maastrichtiaan) is de laatste tijdsnede in het Laat-Krijt. Het is tegelijkertijd een etage in de Europese chronostratigrafie.

Etymologie

* Van het Franse "étage". In de betekenis van ‘verdieping’ voor het eerst aangetroffen in 1786. staatsie heeft dezelfde etymologische herkomst, en is in het Nederlands al eerder ontleend.

Vertalingen

Engelsfloor, storey, story
Fransétage
Spaanspiso, planta