faëton
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (paardrijden) lichte, open, vierwielige wagen die getrokken wordt door twee paarden
- (keerkringvogelachtigen) benaming voor vogels uit de orde , die het grootste gedeelte van het jaar boven zee doorbrengen en vrijwel alleen tijdens het broedseizoen aan land te vinden zijn
Etymologie
* uit het Grieks
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek