factor

mannelijk (de)/ˈfɑktɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meewerkende oorzaak, katalysator
    De aanwezigheid van steenkool was een belangrijke factor voor de ontwikkeling van de chemische industrie in Zuid-Limburg.
  2. wiskunde (wiskunde) getal in een vermenigvuldiging
    Het ontbinden in factoren is een belangrijke tak van de wiskunde geworden.
  3. maat waarmee men de werking of een eigenschap van een stof of product kan weergeven
    Ik smeerde me van top tot teen in met factor 50, hees mijn zware rugzak op mijn rug en liep omhoog richting ‘Pinchot Pass’.
zelfstandig naamwoord
  1. handel, beroep (handel), (beroep) iemand die namens een of meer anderen werkzaamheden verricht, bijv. een afgezant van een handelaar

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘element’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1856

Vertalingen

Engelsfactor
Fransfacteur
DuitsFaktor
Spaansfactor
Portugeesfactor