factuur

vrouwelijk (de)/fɑkˈtyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. financieel (financieel) document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft en de daarmee gepaard gaande kosten

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rekening voor geleverde goederen’ voor het eerst aangetroffen in 1600

Vertalingen

Engelsinvoice
Fransfacture
DuitsRechnung
Spaansfactura
Italiaansfattura
Portugeesfatura, factura
Russischинвойс, счёт-фактура, накладная
Japans送り状, インボイス
Arabischفاتورة
Poolsfaktura
Zweedsfaktura, räkning