fantoom

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spook, droombeeld
    Hij zag in zijn dromen altijd het fantoom van zijn oma.
  2. oefenpop gebruikt in geneeskundig onderwijs
    Een reanimatie oefenen de studenten eerst op het fantoom.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘spook’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287