farizeeër
mannelijk/vrouwelijk (de)/fariˈzejər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) lid van een bepaalde joodse secte in de tijd van Jezus
- (figuurlijk) iemand die doet alsof hij heel gelovig of fatsoenlijk is terwijl hij zich verwerpelijk gedraagt
Etymologie
** in de betekenis van ‘schijnheilige’ voor het eerst aangetroffen in 1808
Vertalingen
EngelsPharisee
Franspharisien
DuitsPharisäer
Spaansfariseo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek