farizeeër
Wat is de betekenis van farizeeër?
farizeeër betekent: (religie) lid van een bepaalde joodse secte in de tijd van Jezus
Betekenis
- (religie) lid van een bepaalde joodse secte in de tijd van Jezus
- (figuurlijk) iemand die doet alsof hij heel gelovig of fatsoenlijk is terwijl hij zich verwerpelijk gedraagt
Betekenis en uitleg van farizeeër
Een farizeeër is iemand die zich strikt houdt aan regels en tradities, vaak met een nadruk op uiterlijke schijn en moraliteit. Dit woord wordt vaak gebruikt om iemand aan te duiden die hypocriet of zelfingenomen is in zijn of haar religieuze of morele overtuigingen.
Het woord 'farizeeër' komt oorspronkelijk uit de Bijbel en verwijst naar een Joodse secte die bekend stond om hun strikte naleving van de wet. Tegenwoordig wordt het vaak gebruikt in een bredere context om mensen te beschrijven die anderen veroordelen op basis van regels, terwijl ze zelf misschien niet oprecht zijn. Het kan zowel serieus als sarcastisch worden gebruikt, afhankelijk van de situatie.
Voorbeelden
- Hij gedroeg zich als een farizeeër, altijd klaar om anderen te bekritiseren voor hun fouten terwijl hij zelf niet beter was.
- Tijdens het debat kwam de farizeeër in hem naar boven, toen hij zijn tegenstander beschuldigde van morele tekortkomingen.
- Ze was zo gefocust op de regels dat ze als een farizeeër overkwam, zelfs al had ze de beste bedoelingen.
Woordoorsprong
Het woord 'farizeeër' komt van het Hebreeuwse 'perushim', wat 'afgescheidenen' betekent. Dit verwijst naar hun streven om zich te scheiden van wat zij beschouwden als onreine invloeden.
Veelgestelde vragen over farizeeër
Wat is de betekenis van farizeeër?
farizeeër betekent: (religie) lid van een bepaalde joodse secte in de tijd van Jezus
Hoeveel betekenissen heeft farizeeër?
farizeeër heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft farizeeër?
farizeeër is een mannelijk/vrouwelijk (de).
Wat zijn synoniemen van farizeeër?
Synoniemen van farizeeër zijn: farizee, farizeus, huichelaar, schijnheilige.
Etymologie
** in de betekenis van ‘schijnheilige’ voor het eerst aangetroffen in 1808