fase

vrouwelijk (de)/ˈfazə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
    In de internationale literatuur zijn er nauwelijks gegevens over patiënten in de laatste fase van dementie.
    Terwijl ik door het platte landschap liep raakte ik in een soort trance, heerlijk verdoofd ging alles op de automatische piloot en liep ik mijn spirituele fase in.
    De meest kritieke fase is daarmee voorbij, meldt de brandweer, die 950 brandweerlieden inzette. De vlammen worden geblust met behulp van vliegtoestellen. Er blijven nog 520 brandweerlieden in het gebied om de brand verder te controleren. Hulpdiensten spreken van een "megabrand".
  2. astronomie (astronomie) een van de schijngestalten van de maan of een andere planeet
    De maan die wij vanaf de aarde kunnen zien heeft 4 grote, verschillende fasen. Deze fasen vormen samen een cyclus die exact 29,53 dagen duurt.
  3. natuurkunde (natuurkunde) elk van de reeks toestanden die een kringproces eindeloos herhaalt
    {{elektrotechniek|nld
  4. scheikunde (scheikunde) verschijningsvorm van een stof met homogene chemische en fysische eigenschappen
    Stoffen kunnen voorkomen in 3 fasen: de vaste, vloeibare en gasvormige fase.

Etymologie

*van "phase", in de betekenis van ‘schijngestalte van planeet, stadium’ aangetroffen vanaf 1824

Vertalingen

Engelsphase
DuitsPhase, Phase, Phase
Spaansfase