faseovergang

mannelijk (de)/ˈfazəˌʔovərˌɣɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde (natuurkunde) overgang (van een stof) van de ene fase in een andere
    De overgang van de fase 'gas' naar de fase 'vloeibaar' heet condenseren; de overgang van de fase 'vloeibaar' naar 'gas' heet verdampen.
    De overgang van de fase 'vloeibaar' naar de fase 'vast' heet stollen; de overgang van de fase 'vast' naar 'vloeibaar' heet smelten.
    De overgang van de fase 'vast' naar de fase 'gast' heet sublimeren; de overgang van de fase 'gas' naar 'vast' heet rijpen.

Vertalingen

Franstransition d'état
Spaanscambio de estado, transición de fase