februari
mannelijk (de)/febryˈwari/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening) de tweede maand van het jaar volgens de gregoriaanse kalenderHet sneeuwklokje bloeit al in februari.Ik was zeker geïnteresseerd om er een keer bij aanwezig te zijn, maar voor maandag 1 februari stond een belangrijke zakelijke afspraak in Duitsland in mijn agenda en met het weekend ertussen was het niet mogelijk die te verzetten.Ik werd als manager voor Nederland van een Duits modemerk in het herdenkingsweekend van 1 februari 2003 op de Collection Première Düsseldorf (cpd) verwacht.
Etymologie
*Komt van het Latijnse mensis Februarius (de maand van Februa, ). Februa (letterlijk: reinigingen) was het Romeinse reinigingsfeest.
Vertalingen
EngelsFebruary
Fransfévrier
DuitsFebruar
Spaansfebrero
Italiaansfebbraio
PortugeesFevereiro, fevereiro
Russischфевраль
Chinees二月
Japans2月
Koreaans이월
Arabischفبراير
Turksşubat
Poolsluty
Zweedsfebruari
Deensfebruar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek