feit
onzijdig (het)/fɛi̯t/
Wat is de betekenis van feit?
feit betekent: een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
Voorbeelden van "feit" in een zin
- Het is niet mijn mening, het is een feit!
- Het is een feit dat een koe schijt
- Kinderen zijn, net als iedereen, gewoontedieren. De mijne waren inmiddels een beetje gewend aan het feit dat zowel ik als mijn vrouw af en toe een tijdje weg waren.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘daad, wat werkelijk is’ voor het eerst aangetroffen in 1294
Vertalingen
Engelsfact
Fransfait
DuitsTatsache
Spaanshecho, suceso
Italiaansfatto
Russischфакт
Poolsfakt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek