feng shui
/fɛŋˈʃwe/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) Chinese leer die onderzoekt hoe je door je omgeving gelukkig kunt wordenHulshof en Roggeveen plaatsen het lot van individuen in een onthullend panorama van feiten en cijfers. Daarbij mijden ze de westerse neiging tot moraliseren. Hun registraties tonen vaak eerder de nuance, soms een paradox. Zo beschrijven de auteurs hoe de compounds met allerlei eigen voorzieningen toch weer dorpen vormen in de stad, zij het verticaal. Hoe de klassieke feng shui-inrichtingsprincipes soms vóór winstbejag gaan. En hoe speculatie de vastgoeddroom dreigt te verstoren.Volkskrant Carien Overdijk 10 oktober 2011
Etymologie
*van "風水" (fēngshuǐ) "letterlijk: wind en regen", in de betekenis van ‘bepalen van gunstige omstandigheden voor de vestiging van een gebouw’ voor het eerst aangetroffen in 1975
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek