fiasco

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grote mislukking
    Zijn plannen waren onhaalbaar en liepen op een fiasco uit.
    En het werd meer dan normaal toen ze algauw in hun gebruikelijke, levendige discussie verwikkeld raakten over goed en kwaad in deze tijd en vooral over het fiasco van de stormtroepenpartij.

Etymologie

* van het Italiaanse 'fiasco' (fles)

Uitdrukkingen

  • Fiasco lijden ( of maken)

Vertalingen

Engelsabortion, failure, fiasco
Fransbide
Spaanschasco, fiasco, fracaso