fiasco
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- grote mislukkingZijn plannen waren onhaalbaar en liepen op een fiasco uit.En het werd meer dan normaal toen ze algauw in hun gebruikelijke, levendige discussie verwikkeld raakten over goed en kwaad in deze tijd en vooral over het fiasco van de stormtroepenpartij.
Etymologie
* van het Italiaanse 'fiasco' (fles)
Uitdrukkingen
- Fiasco lijden ( of maken)
Vertalingen
Engelsabortion, failure, fiasco
Fransbide
Spaanschasco, fiasco, fracaso
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek