fiets

mannelijk/vrouwelijk (de)/fits/

Wat is de betekenis van fiets?

fiets betekent: (verkeer), (techniek) tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer, techniek (verkeer), (techniek) tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
  2. financieel (Bargoens), (financieel) vijf gulden

Voorbeelden van "fiets" in een zin

  • De fiets is een van de populairste vervoermiddelen van de Lage Landen.
  • Naar aanleiding van onze vraag omtrent de herkomst van het woord „viets” schrijft onze correspondent uit Groenlo: Hoewel ik niet kan voldoen aan de uitnoodiging om u aangaande de herkomst van het woord viets (beter fiets), met welken naam men in Arnhem het rijwiel heeft gedoopt, in te lichten, hoop ik u toch te kunnen overtuigen, dat deze benaming, gebezigd door een inwoner van Gelderlands hoofdstad, het begrip van snelheid volgens het Geldersch taaleigen zeer eigenaardig uitdrukt
  • Onze jongens zijn beter op de hoogte en waar ’t noodig is smeden zij ze zelven, getuige de term „viets”, voor vélocipède. Is er korter, kernachtiger, schooner woord te vinden in onze taal?

Betekenis en uitleg van fiets

Een fiets is een tweewielig vervoermiddel dat wordt aangedreven door de kracht van de benen. Het is een populaire en milieuvriendelijke manier van transport, ideaal voor korte afstanden en recreatief gebruik.

Het woord 'fiets' wordt vaak gebruikt in situaties waar we het hebben over vervoer, sport of vrije tijd. Fietsen zijn niet alleen praktisch voor woon-werkverkeer, maar ook een geliefde manier om de natuur te verkennen of fit te blijven. In Nederland speelt de fiets een belangrijke rol in het dagelijks leven, wat bijdraagt aan de cultuur van fietsen als een gemeenschappelijk vervoermiddel.

Voorbeelden

  • Elke ochtend fiets ik naar mijn werk, dat is een heerlijke manier om de dag te beginnen.
  • Tijdens het weekend maken we vaak lange fietstochten door de bossen en langs de rivieren.
  • Bij mooi weer zie je mensen van alle leeftijden op hun fiets genieten van de buitenlucht.

Woordoorsprong

Het woord 'fiets' is vermoedelijk afgeleid van het Duitse 'Veloziped', dat weer teruggaat op het Latijnse 'velocipede', wat snel lopend betekent.

Veelgestelde vragen over fiets

Wat is de betekenis van fiets?

fiets betekent: (verkeer), (techniek) tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen

Hoeveel betekenissen heeft fiets?

fiets heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft fiets?

fiets is een mannelijk/vrouwelijk (de).

Wat zijn synoniemen van fiets?

Synoniemen van fiets zijn: rijwiel, stalen ros, tweewieler.

Hoe gebruik je fiets in een zin?

Voorbeeld: “De fiets is een van de populairste vervoermiddelen van de Lage Landen.

Etymologie

* In de betekenis "vijf gulden" voor het eerst aangetroffen omstreeks 1910.

Uitdrukkingen

  • O, op die fiets!O, nou begrijp ik het.
  • Op de fiets springenHaastig vertrekken per fiets, ook - figuurlijk - haastig vertrekken met willekeurig vervoermiddel
  • Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen?Wat gebeurt er nou? Dit had ik helemaal niet verwacht!

Vertalingen

Engelsbicycle, bike
Fransbicyclette, vélo
DuitsFahrrad, Velo
Spaansbici, bicicleta
Italiaansbicicletta, bici
Portugeesbicicleta
Russischвелосипед
Japans自転車, じてんしゃ, チャリンコ
Koreaans자전거
Arabischدراجة هوائية
Turksbisiklet
Poolsrower
Zweedscykel
Deenscykel