fiets
mannelijk/vrouwelijk (de)/fits/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer), (techniek) tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogenDe fiets is een van de populairste vervoermiddelen van de Lage Landen.Naar aanleiding van onze vraag omtrent de herkomst van het woord „viets” schrijft onze correspondent uit Groenlo: Hoewel ik niet kan voldoen aan de uitnoodiging om u aangaande de herkomst van het woord viets (beter fiets), met welken naam men in Arnhem het rijwiel heeft gedoopt, in te lichten, hoop ik u toch te kunnen overtuigen, dat deze benaming, gebezigd door een inwoner van Gelderlands hoofdstad, het begrip van snelheid volgens het Geldersch taaleigen zeer eigenaardig uitdruktOnze jongens zijn beter op de hoogte en waar ’t noodig is smeden zij ze zelven, getuige de term „viets”, voor vélocipède. Is er korter, kernachtiger, schooner woord te vinden in onze taal?
- (Bargoens), (financieel) vijf gulden
Etymologie
* In de betekenis "vijf gulden" voor het eerst aangetroffen omstreeks 1910.
Uitdrukkingen
- O, op die fiets! — O, nou begrijp ik het.
- Op de fiets springen — Haastig vertrekken per fiets, ook - figuurlijk - haastig vertrekken met willekeurig vervoermiddel
- Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen? — Wat gebeurt er nou? Dit had ik helemaal niet verwacht!
Vertalingen
Engelsbicycle, bike
Fransbicyclette, vélo
DuitsFahrrad, Velo
Spaansbici, bicicleta
Italiaansbicicletta, bici
Portugeesbicicleta
Russischвелосипед
Japans自転車, じてんしゃ, チャリンコ
Koreaans자전거
Arabischدراجة هوائية
Turksbisiklet
Poolsrower
Zweedscykel
Deenscykel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek