Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
fietsenrekkie
onzijdig (het)/ΛfitsΙΛrΙki/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (schertsend) (figuurlijk) gebit waarin enkele tanden ontbrekenZo kan het gebeuren dat iemand met eens een gaaf bekkie al vrij snel rondloopt met een verwoest fietsenrekkie.
- (schertsend) (figuurlijk) gebit met grote tussenruimte tussen de tandenDe tandarts gaf aan dat de kies er uit moet, met als gevolg dat ik een gat in mijn fietsenrekkie krijg
- (spreektaal) (eigenlijk) klein rek om fietsen te parkerenEn die schouder ging uit de kom, omdat die lamlul op z'n zeventiende soepeltjes over een fietsenrekkie dacht te kunnen springen.
Etymologie
*; afgeleid van fietsenrek waarmee in sommige streektalen het verkleinwoord worden gevormd, in de spreektaal wel gebruikt om de scherts te benadrukken; [1] en [2] omdat het gebit net als zo'n rek een horizontale rij van gleuven vormt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek