Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

fietsenrekkie

onzijdig (het)/ˈfitsΙ™ΛŒrΙ›ki/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schertsend, figuurlijk (schertsend) (figuurlijk) gebit waarin enkele tanden ontbreken
    Zo kan het gebeuren dat iemand met eens een gaaf bekkie al vrij snel rondloopt met een verwoest fietsenrekkie.
  2. schertsend, figuurlijk (schertsend) (figuurlijk) gebit met grote tussenruimte tussen de tanden
    De tandarts gaf aan dat de kies er uit moet, met als gevolg dat ik een gat in mijn fietsenrekkie krijg
  3. spreektaal (spreektaal) (eigenlijk) klein rek om fietsen te parkeren
    En die schouder ging uit de kom, omdat die lamlul op z'n zeventiende soepeltjes over een fietsenrekkie dacht te kunnen springen.

Etymologie

*; afgeleid van fietsenrek waarmee in sommige streektalen het verkleinwoord worden gevormd, in de spreektaal wel gebruikt om de scherts te benadrukken; [1] en [2] omdat het gebit net als zo'n rek een horizontale rij van gleuven vormt