fijfel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfɛifəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek) bepaald soort kleine dwarsfluit, vaak gebruikt bij tamboerkorpsenUit de deuren, achter de toeschouwers, dus dóór de zaal stroomt het kermisvolk toe: kinderen en gekken met fijfel en trom, gretige verliefden met rammelaars schijven en mirlitons, ouderlingen met triangel en harmonika, kreupelen en zieken op maat van tamboerlinen; papieren linten kruisen de zaal; fanfaremuziek weerklinkt.
- (muziek) fluit (in het algemeen)E. is een engel, 't is er een van de velen,F. is de fijfel, waarop hij mag spelen.
Etymologie
*van "fifre"
Vertalingen
Engelsfife
Fransfifre
DuitsPfeifer
Spaanspífano
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek