film

mannelijk (de)/ˈfɪlᵊm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde (natuurkunde) een dunne laag
    De film van olie op het water gaf een regenboogeffect.
  2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
    Met de opkomst van de digitale camera wordt er steeds minder film verkocht.
  3. filmkunst (filmkunst) een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
    "Stuart Little" is een bekende film.
  4. filmkunst (filmkunst) de filmindustrie
    Werkt hij niet voor de film?
  5. een opgenomen en vastgelegd bewegend beeld
    Heb je dat op film? Ja, het staat hier op de harde schijf.
    Ze maakten uitgebreid filmpjes en juichten bij elke donderslag terwijl ik juist dieper in mijn slaapzak kroop. Ik voelde me klein en uiterst kwetsbaar.
  6. naar de film gaan: een bioscoop bezoeken
    'Heb je zin om een keer naar de film te gaan?' vroeg hij.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘strook met film- of fotobeelden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912

Vertalingen

EngelsFilm, film, film
Fransfilm, pellicule, pellicule
DuitsFilm, Film, Film
Italiaansfilm, pellicola
Portugeespelícula, filme
Russischфильм
Chinees菲林
Japansフィルム, 映画, えいが
Arabischفِلْم
Poolsfilm, film
Zweedsfilm
Deensfilm