finish

mannelijk (de)/ˈfɪnɪʃ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) het passeren van de eindstreep van een racewedstrijd
    Wat een prachtige finish!
  2. sport (sport) de eindstreep: een lijn die deelnemers van racewedstrijden moeten passeren om de wedstrijd te volbrengen
    Door een ongelukkige val haalde hij de finish niet.
    Op 5 juli 2017 is het de beurt aan Fabio Aru. De Sardijn ontsnapt op 2,4 kilometer van de finish aan de wurggreep van Team Sky.
  3. het eindpunt van een handeling
    Ik liep gestaag door, stopte niet eens om te eten en was in een soort shocktoestand. Ik rook de finish en niets hield me tegen totdat ik een veilig bed had gevonden.
  4. techniek (techniek) afwerking (vaak een laklaag)

Etymologie

*van het Engels

Vertalingen

Spaansllegada, meta