fiscus

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. financieel (financieel) een overheidsorgaan dat de heffing en inning van belasting voor een staat verzorgt
    Hij heeft zijn tegoeden en rentebaten buiten het zicht van de fiscus gehouden.

Etymologie

*Van het Latijnse fiscus, wat letterlijk "mandje" betekent. In het bijzonder werd hiermee het mandje voor het ophalen van het belastinggeld bedoeld. Later werd dit de algehele benaming voor de staatskas.

Vertalingen

DuitsFiscus, Finanzamt