fitness

mannelijk (de)/ˈfɪtnəs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) conditie- of krachttraining, meestal in een sportzaal
    Ik doe iedere vrijdag aan fitness.

Etymologie

*van het Engels

Vertalingen

Engelsfitness
Fransfitness
DuitsFitness
Spaansfitness