flair
/flɛːr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- aanleg, "talent"Hij had flair om te praten.
- goede intuïtie, goed vermogen om iets te onderscheiden
- (verouderd) goed ontwikkeld reukvermogen, fijne neus
- positieve persoonlijke uitstralingWe gingen zitten op het terras van Caffè Lavena. We hadden ook Florian of Quadri kunnen kiezen om ons te laten afzetten in naam van de nostalgie. Ook daar zouden we er zeker van hebben kunnen zijn dat de toeristische exploitatie van een klinkende naam en een elegant verleden met flair en stijl zou worden uitgevoerd.
Etymologie
*Uit het Frans, in de betekenis van ‘bijzondere handigheid’ aangetroffen vanaf 1890
Vertalingen
Engelsflair
Fransflair
DuitsFlair
Spaansmundología
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek