flat

mannelijk (de)/flɑt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde, wonen (bouwkunde), (wonen) gebouw met een aantal opeengestapelde woonlagen ("etages")
    Wanneer wordt er een nieuwe flat gebouwd?
    In de grote flat aan Queensgate Place waar Andrew was opgegroeid, te midden van de foto's van hem en zijn zus aan de muur van de hal, hing een foto van een mysterieuze baby die liefdevol werd vastgehouden door Arabella en Harry.
  2. metonymisch, wonen (metonymisch), (wonen) (als totum pro parte) woning in het bij [1] beschreven flatgebouw
    Mijn flat staat niet op die foto.
    Terwijl ik thuiskwam in de stille flat in de Rue D.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘gebouw met woningen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1931

Vertalingen

Engelsflat
Fransimmeuble
DuitsEtagenwohnung
Spaansedificio