Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

flibustier

mannelijk (de)/ˌflibʏsˈtir/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart, geschiedenis (scheepvaart) (geschiedenis) piraat, vaak van Franse herkomst, in het Caraïbisch gebied rond 1700
    Geld houdt een flibustier voor een gevaarlijke vijand, die al menig dapper man tot lafheid heeft gebracht; geld mag derhalve niet op zee worden meegenomen: om eigen bezit te vrijwaren kon iemand allicht zijn makker in 't drukke van het gevecht weerloos aan zijn lot overlaten. Wie vóór de afvaart nog geld op zak draagt moet het dadelijk in de kroeg verbrassen.
    {{ouds

Etymologie

*van "flibustier", via "flibutor" verbastering van "vrijbuiter", cognaat met filibuster; in de betekenis "piraat" aangetroffen vanaf 1762 (zie vindplaats hieronder)