flipflop

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈflɪpflɔp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elektronica (elektronica) (digitale techniek) schakeling die op een signaal reageert door van de ene in de andere stand te springen, één van de meest elementaire digitale elektronische schakelingen
    Besturingslogica, adresregisters. cyclusdecoders, klokpulsen, selecteeraansluitingen, gegevensverzamellijnen, statusvraag, drijvertrap, data-interface, conditionele flipflop, multiplexer, stapelwijzer verversingsteller, verversingsversterker. in- en uitvoerbuffers — dit ailes etst men vandaag op een eenvoudig siliciumoxyde () kristal.
  2. figuurlijk (figuurlijk) opeens een opvatting huldigen die tegengesteld is aan de opvatting die tot dan toe gehuldigd werd
    In Washington wordt er dan ook op gerekend dat de Amerikaanse president snel weer zal moeten overgaan tot waar hij het best in is: een nieuwe flipflop.
  3. schoeisel (schoeisel) sandaal bestaande uit een rubberen zool en twee bandjes over de voet die vanaf de zijkanten samenkomen tussen de grote teen en de teen ernaast
    Iemand met flipflops en een joggingbroek zal je in Maastricht niet snel in een restaurant zien.
tussenwerpsel
  1. om een omslag aan te geven
    Vroeger vond ik spinazie stom, maar nu, flipflop, smul ik ervan.

Etymologie

*[3] van "flip-flop", een klanknabootsing van het sloffende geluid waarmee lopen op dit schoeisel gepaard gaat

Vertalingen

Engelsflip-flop
Spaansbiestable