foekepot
mannelijk (de)/ˈfukəˌpɔt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek) bus die is afgesloten met een strak gespannen vlies waardoor een riet steekt, waarmee je een brommend geluid kunt maken door langs het riet te wrijvenOp enkele meters afstand van onze boerderij in Hunnecum woonden twee oudjes, ‘Han en Naard va gene Bek’, broer en zus. Naard was altijd dagloner geweest; zij waren arm. Met vastenavond gingen wij met enkele jongens langs de huizen. We hadden van varkensblaas een foekepot gemaakt en een stok geschild en gepunt. Bij het eentonig geluid van ‘foeke - foeke’ vroegen wij half zingend: ‘Höb g'r ei sjtök sjpek veur Han en Naard va gene Bek?’ De mensen staken dan een stuk spek op die spitse stok, sommigen een groot anderen een klein. Als hij volgeladen was, brachten wij de stok vol spek in triomf naar de oudjes.
Etymologie
* of een samenstelling waarin "foeke" een (klanknabootsing) is [https://dbnl.org/tekst/gouw002volk01_01/gouw002volk01_01_0021.php?q=foekepothl1 De volksvermaken. (1871) Erven F. Bohn, Haarlem]; p. 202; geraadpleegd 2019-11-18
Vertalingen
DuitsBrummtopf
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek