Fok
mannelijk/vrouwelijk (de)/fɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag, het fokzeil
- (scheepvaart) onderste razeil aan de fokkemast van vierkantgetuigde schepen
- (figuurlijk) brilzet die fok eens op je gok, man!
zelfstandig naamwoord
- teelt van dieren
Etymologie
**: "fokken" zonder de uitgang -en
Vertalingen
Engelsjib, foresail, specs
Fransfoc, besicles, élevage
DuitsFock, Nasenfahrrad, Zucht
Spaansfoque, vela de trinquete
Italiaansfiocco
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek