fonologie

vrouwelijk (de)/ˌfonoloˈɣi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) de wetenschap die het functioneren van klanken in talen bestudeert
    Een fonoloog weet veel van fonologie.
  2. taalkunde (taalkunde) het functioneren van klanken in een bepaalde taal
    Zij onderzoeken de Nederlandse fonologie.

Etymologie

* In de betekenis van ‘tak van taalwetenschap betreffende fonemen’ voor het eerst aangetroffen in 1855

Vertalingen

Engelsphonology, phonology
Fransphonologie
Spaansfonología
Japans音韻論