forceren

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een beslissing afdwingen
    Het team forceerde de overwinning.
  2. ov (ov) openbreken.
    De dief had de deur geforceerd.
  3. refl (refl) te veel van zichzelf vergen
    Tijdens de sprint had hij zichzelf geforceerd met een spierletsel als resultaat.
  4. manier van metaal vervormen waarbij het metaal niet verwarmd wordt
  5. met te grote kracht iets proberen te doen en het zo kapot maken
    Normaal gesproken was dat geen enkel probleem geweest, ze gebruikten een eenvoudige en beproefde techniek met platen en bouten voor de samenvoeging. Maar met bevroren stammen ging het meteen mis als je de bouten erin probeerde te forceren, het was alsof je in glas boorde.

Etymologie

*afgeleid van het Franse forcer () [https://fr.wiktionary.org/wiki/forcer Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelsforce
Fransforcer, se forcer
Duitsforcieren, erzwingen, sich überanstrengen
Spaansforzar, esforzar, forzarse