foto

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfoto/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fotografie (fotografie) fotografische opname
    Bij elke bloem moest ik stoppen om foto’s te maken.
  2. fotografie (fotografie) afdruk van een fotografische opname
    Bij elke bloem moest ik stoppen om foto’s te maken.
    Hij moest die foto nog inlijsten.
    Toen ik in mijn stoel ging liggen, zag ik aan de muur tegenover mij het door een spotje verlichte gezicht van een kalende man met een zwarte bril. Het sikje gaf deze man een scherp uiterlijk. Hij probeerde te glimlachen. Het gezicht straalde pijn uit. Geestelijk lijden. Omdat er geen beweging in het gezicht kwam begreep ik dat ik naar een foto keek. Op de achtergrond zag ik strand en zee. Vermoedelijk de Zwarte Zee. {{Aut|Sandes, David

Etymologie

* van "photo", in de betekenis van ‘fotografische opname’ voor het eerst aangetroffen in 1898

Uitdrukkingen

  • Een foto nemenEen foto maken

Vertalingen

Engelsphoto, photograph, picture
Fransphoto
DuitsFoto
Spaansfoto, fotografía
Italiaansfotografia, foto
Zweedsfoto, kort