franc

mannelijk (de)/frɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. financieel (financieel) frank, munteenheid in verschillende Franstalige landen
    De kaartjes waren wel veertig franc per stuk geweest, vertelde hij met glanzende ogen en hij maande met zijn vinger, je bent elf nu, pas op, nu ga je het beleven.
  2. numismatiek (numismatiek) muntstuk
    Hij was een jongetje en dol op flipperen. Dus hij jatte telkens muntgeld van zijn vader, ook op de camping in Frankrijk. Hij strooide die munten zelfs vooraf uit op het pad naar de kantine: "Pap, kijk! Een franc! En daar nog een!"

Etymologie

*van "franc"