géén

/ɣen/

Betekenis

lidwoord
  1. uitdrukkelijk niet (een, de, het)
    Het is géén reisgids en bevat dan ook geen routebeschrijvingen of wandelingen.
telwoord
  1. nul, uitdrukkelijk niet één
    Maar van die 53 werden er 34 over Amsterdam verhoord, 18 over Maastricht, slechts één over de vlasindustrie en helemaal géén over Tilburg.
voornaamwoord
  1. niemand, niet een
    Géén, die daar ook maar iets om gaf,(...)

Etymologie

*van geen, met nadruk en beklemtoond uitgesproken