gaan

/ɣan/

Wat is de betekenis van gaan?

gaan betekent: (erga) zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker af

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker af
  2. mogelijk zijn
  3. auxl (auxl) vormt een onmiddellijke toekomende tijd
  4. auxl (auxl) (Belgisch-Nederlands) vormt een toekomende tijd, grotendeels synoniem met zullen

Voorbeelden van "gaan" in een zin

  • Hij ging naar Amerika.
  • Ze waren naar buiten gegaan om te plassen maar werden daar plotseling omringd door een blauwe lichtbol.
  • Dat gaat niet.
  • En nu ga ik slapen.
  • Wat had ik nu spijt van het plan om de zonsondergang en zonsopkomst vanaf de top te willen gaan bekijken.

Etymologie

:: κίω, κιγχανω, κιχανω

Uitdrukkingen

  • gaan met die banaan
  • gaan voor
  • dames gaan voor
  • te boven gaan
  • Aan de haal gaanergens mee vandoor gaan
  • Aan hetzelfde euvel mank gaandezelfde fouten maken als iemand anders
  • Alleen de zon gaat voor niets op.voor welvaart moet gewerkt worden, niks is gratis
  • Als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan.genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is

Vertalingen

Engelsgo
Fransaller
Duitsgehen, davonmachen, türmen
Spaansir, andar
Italiaansandare
Portugeesir
Russischидти
Chinees
Koreaans가다
Arabischذهب
Turksgitmek
Poolsiść, chodzić
Zweeds