gaap

mannelijk (de)/ɣap/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fysiologie (fysiologie) opensperren van de kaken wanneer men slaap heeft; kan worden gezien als teken dat iemand weinig belangstelling heeft
  2. dierkunde (dierkunde) (onvruchtbaar) jong van een ooi en een bok
    Maar het bleek geen gewoon lammetje, maar een gaap. Het heeft de vacht en de hoorntjes van zijn vader en de kop en staart van zijn moeder. De moeder is een Texels schaap, de vader een Nubische bok.

Etymologie

*: "gapen" zonder de uitgang -en