galeislaaf

mannelijk (de)/ɣa'lɛɪslaf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die onder dwang het uiterst zware werk aan de roeiriemen van een galei moest verrichten
    De scheepvaart van het Romeinse Rijk was zonder galeislaven onmogelijk geweest.
  2. iemand die heel hard heeft moeten werken
    Mama had de hele zomer als een galeislaaf gewerkt, zei ze toen de taxi voor de deur bleef staan.