gamma

/ˈɣɑma/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) derde letter van het Griekse alfabet
  2. lettercijfer voor 0,001 mg
  3. muziek (muziek) reeks noten in opvolgende toonhoogte met een bepaalde toonafstand
  4. reeks die geordend is naar een eigenschap als sterkte, intensiteit of kleur
  5. handel (handel) geheel van verschillende producten of diensten waaruit bij een leverancier kan worden gekozen
  6. wetenschap, onderwijs (wetenschap) (onderwijs) iemand die mens en samenleving bestudeert met kwantitatieve methodenOok vaak als eerste deel van een samenstelling die naar zo'n vakgebied verwijst.

Etymologie

**[6] naar analogie van alfa en beta als aanduiding van vakgebieden

Vertalingen

Spaansgamma, escala, gama