gaper

mannelijk (de)/ˈɣapər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die gaapt
  2. houten beeld met gapende mond en uitgestoken tong, uithangteken van drogisten en apothekers
  3. tweekleppigen, afkorting (tweekleppigen) (afkorting) van strandgaper

Etymologie

* van gapen