gaper
mannelijk (de)/ˈɣapər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die gaapt
- houten beeld met gapende mond en uitgestoken tong, uithangteken van drogisten en apothekers
- (tweekleppigen) (afkorting) van strandgaper
Etymologie
* van gapen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek