garagist

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de eigenaar van de garage die vaak zelf ook monteur is
    De zoon van een garagist en automonteur uit IJmuiden was 13 toen het gezin naar Stockholm verhuisde. Daar zou hij later met zijn gitaar vanaf 1964 een groot aantal platen maken. Nadat hij in 1987 op zijn 50ste stierf aan leverkanker, werd zijn begrafenis op de Zweedse televisie uitgezonden: Cornelis Vreeswijk, geëngageerd troubadour en levensgenieter, wiens verzamelde liedteksten als een schat worden gekoesterd. Jaarlijks wordt in Stockholm in augustus de Cornelis Vreeswijkdag gevierd met liederen die door bekende Zweedse vertolkers worden uitgevoerd.Volkskrant Arjan Peters 16 april 2016

Etymologie

*afleiding van garage

Vertalingen

Engelsgarage owner