garantie

vrouwelijk (de)/ɣaˈrɑn(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
    Hij gaf hem de garantie dat alle schade vergoed zou worden.

Etymologie

*van """, in de betekenis van ‘waarborg’ aangetroffen vanaf 1700, op te vatten als afgeleid van garant

Vertalingen

Engelsguarantee
Fransgarantie
Spaansgarantía