gat
onzijdig (het)/ɣɑt/
Wat is de betekenis van gat?
gat betekent: opening of holte
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- opening of holte
- (overdrachtelijk) een tekort of ontbrekend deel
- (meervoud) gaten: ogen
- (verkleinwoord), (tandheelkunde) gaatje: een geval van tandwolf
- (dim gatje) achterste
- (toponymie), (pejoratief) kleine plaats (meestal een dorp of gehucht) met maar heel weinig inwoners
Voorbeelden van "gat" in een zin
- Een gat in de muur boren.
- Met mijn 17 gram zware deuce of spades-schep groef ik dagelijks een gat in de grond van ongeveer 10 cm diep als de grond niet te hard was.
- Een gat in de begroting.
- Er zitten gaten in zijn verhaal.
- In de gaten houden.
Etymologie
* In de betekenis van ‘opening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236. In de betekenis van ‘anus, achterwerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1481
Uitdrukkingen
- een gat in de lucht springen
- Een gat in zijn hand hebben — Dwangmatig en/of te veel geld uitgeven|num=1
- In een (zwart) gat vallen — Niet meer weten wat te doen (m.n. na een drukke periode); (zwaar) depressief worden|num=1
- Een gat in de markt — Een vraag waar nog geen aanbod tegenover staat|num=2
- In de gaten springen — De leemtes opvullen|num=2
- Iets in de gaten hebben — Iets in het oog hebben|num=3
- Iets in de gaten houden — Ergens goed op letten|num=3
- In de gaten lopen — Opvallen, in het oog springen|num=3
Vertalingen
Engelshole, gap, cavity
Franstrou, trou, yeux
DuitsLoch, Lücke, Mangel
Spaansagujero, boquete, déficit
Poolsdziura, otwór, brak
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek