gebaar
onzijdig (het)/ɣəˈbar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (communicatie) een beweging waarmee men iets wil zeggenVan lieverlede werd hij echter beschouwd als de 'vriend der kinderen'. In Nederland leest men over het St. Nicolaasfeest voor het eerst in het jaar 1360. De koorknaapjes in Dordrecht kregen er vrij voor. In optocht trokken zij door de stad en bedelden, met een smekend gebaar, hun bisschopsgeld bij elkaar. Maar in de zeventiende eeuw werd dit verboden!
- (communicatie) een handeling waarmee men iets wil uitdrukkenAls ik de volle maan zie sla ik vreemd genoeg altijd een kruis, kus mijn duim en wijs naar de maan als gebaar van dankbaarheid voor de rijke ervaringen in mijn leven en de mensen om mij heen.Een hele tijd later kwam ik een magere 22-jarige jongen tegen die in tegengestelde richting van noord naar zuid liep en geen woord sprak. Eerst dacht ik dat hij misschien verlegen of zelfs stom was, maar opeens schreef hij een korte vraag in een klein notitieblokje en vulde het aan met wat eenvoudige gebaren.
Etymologie
*Afgeleid van gebaren
Vertalingen
Engelsgesture, gesture
Fransgeste, geste
DuitsGebärde, Geste
Spaansademán, gesto
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek