geblaat

onzijdig (het)/ɣəˈblat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierengeluid (dierengeluid) mekkerend geluid van een schaap
    De lucht was vervuld van het geloei, geknor en geblaat van de dieren.
  2. informeel, pejoratief, communicatie (informeel), (pejoratief), (communicatie) inhoudsloos gepraat, meestal op een luide en storende toon
    Het geblaat van die politicus is mij een doorn in het oog.

Etymologie

*: van "blaten" .

Uitdrukkingen

  • Een hoop geblaat, weinig wol. -- Veel ophef voor weinig resultaat.
  • Hoe schurfter schaap, hoe harder geblaat. -- Hoe groter de schelm, des te onbeschaamder het geschreeuw.

Vertalingen

Fransbêlement, hurlement
DuitsGeblöke, Geschrei
Spaansbalado, balido