gebrek

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een tekort
    Er is een gebrek aan voedsel.
    Vanwege het gebrek aan steun echter moesten mijn enkels erg wennen aan het oneffen terrein.
    Ze sloot haar ogen, zich verzettend tegen de mogelijke schade die dit schilderij, of Isaacs gebrek aan talent, haar hart zou kunnen berokkenen.
  2. een defect, een mankement
    De voorzieningenrechter stelde in juli dat de inhoud van het rapport op twee punten onzorgvuldig was, maar dat de gebreken niet zo groot waren dat het hele rapport onrechtmatig was.

Etymologie

* In de betekenis van ‘gemis, kwaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265

Uitdrukkingen

  • gebrek hebben aan

Vertalingen

Engelslack, absence, shortage
Franspénurie, manque, défaut
DuitsMangel, Mangel, Gebrechen
Spaansfalta, insuficiencia, mal
Deensmangel