gebrul

onzijdig (het)/ɣəˈbrʏl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het lawaai dat vooral roofdieren met hun adem maken
    Het gebrul van de leeuw was van een grote afstand te horen.
    Het gebrul van de voetbalfans na het maken van een doelpunt was oorverdovend.

Etymologie

* van brullen

Vertalingen

Spaansbramido, rugido