geding
onzijdig (het)/ɣəˈdɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch) rechtsgeding, -zaak, proces
- (geschiedenis) een rechtbank bij verschillende Germaanse stammen en koninkrijken
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands gedinge, gedinc ‘rechtsgeding; overeenkomst, lawaai’, collectief uit ding (zie aldaar). Evenzo afgeleid zijn Oudsaksisch githingi ‘voorspraak, bemiddeling’, Duits Gedinge ‘akkoordloon, stukloon voor mijnwerkers’ en Oudengels geðinge ‘bijeenkomst, overeenkomst, lot’.
Uitdrukkingen
- In het geding zijn/komen — In gevaar zijn of komen, op het spel staan.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek