geelgieterij
vrouwelijk (de)/ˌɣelɣitəˈrɛi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bedrijf) werkplaats van een geelgieterHet is een typisch laatgotisch model zoals het ook elders voorkomt en zoals het bijvoorbeeld werk uit Mechelse geelgieterijen in de late middeleeuwen kenmerkt.
- (bedrijf) industriële werkplaats voor het bewerken van messing (geelkoper)Op de zomerzegels staan afbeeldingen van het stoomgemaal Nijkerk, gebouwd in 1882, de watertoren van Deventer, daterend uit 1892 en de geelgieterij in Joure, waarvan het gebouw in 1911 werd opgetrokken. De geelgieterij zelf stamt uit 1854.
- (bedrijfstak) geheel van de bedrijven waar messing (geelkoper) wordt bewerktMaar pas aan het eind van de vijftiende eeuw kreeg Mechelen een belangrijke naam in de brons- en geelgieterij.
- (techniek) vervaardiging van voorwerpen door messing te smelten en in een vorm te laten afkoelen, het ambacht van het geelgietenVele bronzen gebruiksvoorwerpen zijn interessante stalen der toenmalige gietkunst, die nu nog in geelgieterij op Java voortleeft.
Etymologie
*[3], [4]: van geelgieten
Vertalingen
Engelsbrass foundry
Fransfonderie de cuivre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek