geeltje
/ˈɣelcə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- klein stukje geel papier met kleefstof dat ergens tijdelijk kan worden aangebracht met een door de gebruiker aangebracht kort berichtOok hij heeft een geeltje op het krantenartikel geplakt. Er staat een citaat op: „De verbeelding is slechts een gedachten en beelden suggererend geheugen” – Antoine Albalat, Franse schrijver (1856-1935).
- (financieel), (informeel) biljet van vijfentwintig guldenHeb jij nog een geeltje?
Etymologie
*[2] uit het Bargoens, naar de gele tint die oudste versie van deze bankbiljetten had; in de betekenis van ‘biljet van f 25,-’ aangetroffen vanaf 1906
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek