Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
geelwitte ossentong
mannelijk/vrouwelijk (de)/plaatshouder taxonomie/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een plant uit de ruwbladigenfamilie. Geelwitte ossentong staat op open, zonnige, warme, droge standplaatsen. De grond dient matig voedselarm tot matig voedselrijk te zijn, stikstofrijk, kalkhoudend, en vaak op omgewoelde zandige en stenige bodems. Ze groeit in zeeduinen, in ruigten, op puinhellingen en op spoorterreinen. De oorsprong van de soort ligt in Zuidoost-Europa en oostelijk Midden-Europa. De plant is tegelijk met graan, vogelvoer en wol ingevoerd in West-Europa en zo in de duinen tussen Egmond en Wassenaar ingeburgerd.
Etymologie
* (coll)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek