geelzucht
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een gelige gelaatskleur hebben, gewoonlijk als gevolg van hepatitis
Etymologie
* In de betekenis van ‘ziekte’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Vertalingen
Engelsjaundice
Fransictère, jaunisse
Spaansictericia, itericia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek