Geer
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣer/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (heraldiek) ieder van de gelijke driehoekige vakken die door gelijktijdig gebruik van een aantal hoofdlijnen ontstaanEen wapen zoals dat van Almere met acht geren wordt "gegeerd van acht stukken" genoemd.
- spits toelopende strook stof of papier. Bv. Mercator's globes waren beplakt met bedrukte geren.
- scheve zijde van een gebouw of stuk land
- niet-joodse man die volledig is overgegaan tot het jodendom, proseliet
Etymologie
* [4] Herkomst: Hebreeuws, letterlijk: 'vreemdeling, bekeerling'
Vertalingen
Engelsgyron, ger
Italiaansgherone
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek