gegrom

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voortdurend een brommend geluid voortbrengen zoals past bij wilde dieren
    ,,Plotseling hoorde ik gegrom en gebrul. Een tijger kwam op volle snelheid op ons afgestormd.” De gids en twee anderen sloegen op de vlucht. Van Laar wist ternauwernood uit de klauwen van het beest te ontsnappen door in een zes meter hoge boom te klimmen. Daar wachtte hij twee uur lang op hulp, terwijl de tijger aan de voet van de boom op zijn prooi bleef loeren.de Telegraaf 15 feb. 2016
  2. voortdurend een boos en ontevreden geluid maken
    Door al die lichtpuntjes is ons gegrom in de morgen, de praat-niet-met-me-voordat-ik-mijn-koffie-op-heb-houding en het gevoel dat vandaag-weer-zo'n-dag-is opeens verleden tijd.de Telegraaf 25 feb. 2015
    Gisteren was ik namelijk in de plaatselijke supermarkt en achter de kassa zat een jongedame, die daar écht geen zin in had. Een uitgestreken gezicht, donderwolken boven haar hoofd, geen glimlach te bekennen, geen vriendelijk woord maar louter donker gegrom.de Telegraaf 03 okt. 2014

Etymologie

* van grommen

Vertalingen

Engelsgrowl, buzz saw noise, growling